De auteur

Al meer dan honderdvijftig jaar, sinds de eerste druk in 1855, geldt het als een pronkstuk van de Tsjechische literatuur: de roman Babička (Grootmoeder) van Božena Němcová (1820–1862). Van generatie op generatie hebben de Tsjechen dit boek, dat zich afspeelt in een paradijselijke Boheemse vallei in de negentiende eeuw, als het ware met de paplepel ingegoten gekregen. En dat gebeurt nog steeds.

Diverse getuigenissen uit verschillende perioden in die ruim anderhalve eeuw bevestigen die enorme en permanente populariteit. Rond 1900 - en mogelijk ook later - werd Babička op Praagse Duitstalige gymnasia voor het Tsjechisch taalonderwijs gebruikt. Zo raakte de jonge Franz Kafka voor het boek enthousiast en kende zelfs een detail als de plaats van het graf van Němcová's echtgenoot; hij zorgde ervoor dat zijn jongere zusjes Babička voorgelezen kregen en schreef veel later dat hij "in het Tsjechisch slechts één taalmuziek, die van Božena Němcová", kende. Babička zou zelfs een van de inspiratiebronnen voor zijn roman Das Schloß zijn geweest. Haar brieven achtte hij "onuitputtelijk voor je mensenkennis". Milan Kundera noemde haar "de moeder van het Tsjechische proza", Bohumil Hrabal meende dat Tsjechië met Němcová "een veel belangrijker schrijfster dan Frankrijk in de persoon van George Sand heeft" en hij had een grote bewondering voor haar liefdesbrieven.

Němcová's boeken werden door vele kunstenaars geïllustreerd, ze werden verfilmd en op het toneel gebracht. Er werden documentaires over haar leven en werk gemaakt, het dal waarin ze haar jeugd doorbracht - en waar Babička zich afspeelt - heet nu Babiččino údolí (Grootmoederdal) en wordt druk bezocht, en vlak daarbij, in Česká Skalice, is een aan haar gewijd museum.
Bovendien beleefde Babička niet alleen meer dan driehonderd herdrukken in het Tsjechisch - tot op heden verschijnt elke paar jaar wel een nieuwe uitgave - maar deze roman werd ook in meer dan dertig talen vertaald. Kortom, Božena Němcová is nog immer een van de grote namen in de Tsjechische literatuur. En Babička is de eerste Tsjechische roman die door een vrouw geschreven werd.
Gezien deze zegetocht is het verbazingwekkend dat er nog steeds geen Nederlandse vertaling was. Met deze uitgave is die achterstand alsnog ingehaald.

Babička speelt zich af in de vallei van de rivier de Úpa in het noordoosten van Bohemen waar Božena haar jeugd doorbracht. Haar geboorte en afkomst zijn raadselachtig. Zo is er de gangbare versie dat zij in 1820 in Wenen geboren is als Barbora Pankl, als oudste van dertien kinderen van stalmeester Johann Pankl en Tereza Novotná. Beiden waren in dienst van hertogin Katharina Wilhelmine von Sagan die in de vallei haar - nu voor publiek toegankelijke - zomerkasteel Ratibořice had. Vermoedelijk is zij echter van adellijke afkomst en geboren uit een buitenechtelijke liefdesaffaire en ter opvoeding afgestaan aan Pankl en Novotná.

De vrouw die model staat voor de grootmoeder is haar eigen grootmoeder Magdalena Novotná, die een aantal jaren voor het gezin kwam zorgen en voor wie Barbora een grote verering koesterde. Magdalena Novotná (1770-1841), geboren in Křovice bij Dobruška, was een eenvoudige vrouw. Ze sprak Tsjechisch, wat alleen nog op het platteland voorkwam, want in het Habsburgse rijk, waartoe Bohemen toen nog behoorde, heerste een overwegend Duitstalige cultuur. Ook Božena werd Duitstalig opgevoed. Toen ze oud genoeg was, ging ze dagelijks te voet naar de dorpsschool in Česká Skalice (5 km verderop). Grootmoeder Novotná leerde de kinderen de oude gebruiken, zuinigheid, geloof en de liefde voor het Tsjechische volk en de Tsjechische taal en vertelde hun verhalen en oude Tsjechische legenden.
Božena verliet de vallei van de Úpa in 1837, toen ze met de aanzienlijk oudere belastingambtenaar Josef Němec trouwde. Er volgde een zwerftocht langs tal van standplaatsen van Němec, bijna elk jaar werd er verhuisd. Onderwijl kreeg ze snel achter elkaar vier kinderen.
Josef Němec was een patriot en steunde de beweging die streefde naar een eigen nationale identiteit; de Tsjechische taal en het Tsjechisch erfgoed waren daarbij van groot belang. Toen Němec in 1842 in Praag gestationeerd werd, introduceerde hij Božena in nationaal geëngageerde kringen van kunstenaars, dichters, wetenschappers en journalisten. Ze maakte als jonge, mooie, geëmancipeerde vrouw furore en werd gestimuleerd zelf literatuur te schrijven. Ze leerde de Tsjechische taal en grammatica en schreef sinds 1843 talloze artikelen en enkele boeken. Een van haar eerste gedichten was een oproep aan de Tsjechische vrouwen, Ženám českým, om zich politiek bewuster op te stellen en zich aan te sluiten bij de nationale beweging.

Božena richtte zich ook op onderwerpen aangaande de sociale ongelijkheid in het leven van het gewone Tsjechische en Slowaakse volk en droeg het feministische standpunt uit dat meisjes meer moesten kunnen leren dan alleen schrijven, lezen en rekenen en ook kennis moesten hebben van aardrijkskunde, natuurwetenschappen en vooral van de geschiedenis van hun eigen land. Geïnspireerd door haar eigen ervaringen op school schreef ze het verhaal Pan učitel (over de ideale onderwijzer), dat in die tijd bijna net zo populair was als Babička. Ook schreef ze een aantal vrouwenportretten die nog steeds goed leesbaar zijn, zoals bijvoorbeeld het verhaal Divá Bára (Wilde Bára).

Door de vele verhuizingen en reizen had Božena de zeden en gebruiken in verschillende delen van Tsjechië en later ook die van Slowakije leren kennen, waarover ze etnografische artikelen schreef die in diverse tijdschriften gepubliceerd werden. Ze verzamelde en bewerkte volkssprookjes zowel in Tsjechië als in Slowakije. Het verzamelen en bewerken van deze sprookjes, van generatie op generatie doorverteld, met hun soms halfmythische figuren (watergeesten, heksen, duivels etc.) en de bijzonderheden van de nabije omgeving (bergen, ondoordringbare bossen, water), was in de negentiende eeuw vrij populair.

Na het Panslavisch congres in Praag in 1848 waar vergeefs voor autonomie binnen en federalisering van de Oostenrijkse monarchie werd gepleit, werden de voortrekkers van de onafhankelijkheidsbeweging vervolgd en berecht of kregen anderszins problemen. Josef Němec werd in 1850 niet alleen overgeplaatst naar verre standplaatsen aan de Slowaaks-Hongaarse grens, maar kreeg ook nog te maken met bevriezing of halvering van zijn salaris en kon enkele jaren zijn standplaats niet verlaten. Zowel Josef als Božena werden door de politie in de gaten gehouden.


Božena, wier huwelijk niet gelukkig was en daarom met haar kinderen in 1850 in Praag was gaan wonen, bezocht Josef Němec enkele malen op zijn standplaats in Slowakije en Hongarije en schreef reisverhalen en volkenkundige artikelen over die streken. Ook hier verzamelde ze sprookjes en schreef ze enkele boeken. Tijdens haar verblijf in Ďarmoty in het najaar van 1853 ontving ze een zes weken vertraagd bericht dat haar zoon Hynek, die in Praag verbleef, ernstig ziek was. Ze reisde onmiddellijk terug en was net op tijd om afscheid te nemen van haar zoon, die op 19 oktober zou overlijden. Toen ze na zijn dood opnieuw verhuisde, vond ze een notitie met aantekeningen over de inhoud van een boek dat ze allang had willen schrijven: Babička. Ze zei later daarover dat ze niet kon uitleggen waarom bij de herinnering aan de gelukkige jeugd haar verdriet van dat moment op de achtergrond raakte, en wanneer zij zich de liederen en sprookjes en het lieve gelaat van grootmoeder voor zich zag, ze even alle ellende vergat.

Božena begon aan een boek waarin ze haar herinneringen aan haar grootmoeder, een sterke, wijze vrouw, en haar gelukkige jeugd in de vallei van de Úpa gebruikte voor een vertelling over een grootmoeder die veel met haar kleinkinderen optrekt, over dagelijkse gewoonten in het gezin, over het verzamelen van kruiden, over de kooplui die af en toe langs kwamen met hun verhalen, over de bezoeken aan de boswachter, de molenaar en het kasteel, over de festiviteiten en tradities, maar ook over de overstromingen en het tragische leven van het dorpsmeisje Viktorka. Daarover gaat Babička.

Wanneer Božena Němcová in Babička de wereld van haar jeugd en van het Boheemse dorp doet herleven, is dit echter geen beeld van de werkelijke herinneringen aan haar kinderjaren, maar veeleer die van een troostende droomwereld, die zij ook in Tsjechische en Slowaakse sprookjes zocht en in haar eigen werk gestalte gaf. Een droomwereld die ze ook nodig had als tegenwicht tegen de armoede en ziekte waarmee ze in haar laatste levensjaren geconfronteerd werd.
Babička groeide uit tot een onsterfelijke vertelling.

Toen Božena op 21 januari 1862 in Praag op 42-jarige leeftijd overleed, was ze al beroemd. Bij haar begrafenis op 24 januari namen professoren, studenten, gedeputeerden, schrijvers, patriotten, adellijke personen en vele anderen in een sfeer van pracht en praal afscheid van een onconventionele en moedige vrouw, een vrouw die zelfstandig wilde zijn, gepassioneerd leefde, een vrouw die zich voor politieke, sociale en filosofische vragen interesseerde en niet schuwde daarover te spreken, te schrijven en erover te corresponderen.
Božena Němcová ligt begraven in Praag op de rustplaats Vyšehrad.

> Sitemap