Božena achterna - woonplaatsen: 1845-1848 Domažlice, Všeruby

Als Josef Němec in september 1845 tot commissaris in Domažlice benoemd wordt, gaan ze wonen aan het grote plein Náměstí Míru.
Božena moet erg wennen in Domažlice. “Gelukkig is er de Slavische Linde” schreef ze. De Slavische Linde (Slovanská lípa), opgericht op 20 april 1845, was de eerste bibliotheekclub aldaar. In het eerste jaar had de club 62 boeken, de lidbijdrage bedroeg 3 stuivers per week. De bibliotheek in Domažlice is later naar haar vernoemd.

Božena gaat er vaak op uit in de omgeving. Zo wandelt ze naar Bořice, Stanětice, Chrastavice, Újezd, Stráž, Mrákov, Milavče, Kdyně, Kout na Šumavě etc.; dorpen die tot het gebied van de Choden behoren. De wandelingen en de ontmoetingen onderweg geven haar niet alleen de inspiratie voor artikelen en sprookjes maar ze gebruikt ook allerlei mensen als rolmodel in latere verhalen.
In Bořice ontmoet ze de boerendochter Anna en haar verhalen geven Božena de ideeën voor Domácí nemoc (Heimwee) dat in juni 1846 gepubliceerd wordt in Česká včela.
In Stanětice maakt ze kennis met de boswachtersfamilie Benda. Benda stond waarschijnlijk model voor de jager in Babička.
In Mrákov leert ze Jan, de blinde zoon van rechter Konopa kennen. Hij vertelt haar de volkssprookjes: Čert a Káča, Čertův švagr, Chytrá horákyně, O kocouru, kohoutu a kose, Anděl strážce en O Nesytovi, verhalen die in 1846 en 1847 in afleveringen van Národní báchorky a pověsti verschijnen. Jan Konopa wordt Joza in de roman Pohorská vesnice uit 1856.
In Chrastavice ontmoet ze de burgemeester Jan Bor die haar helpt met het verzamelen van materiaal voor artikelen in Květy en Česká včela. In november 1845 verschijnt in Květy de eerste aflevering van Obrazy z okolí domažlického (Beelden uit de omgeving van Domažlice); het gaat over de legende van Sv. Vojtěch (St. Adalbert) en de geneeskrachtige bron in Milavče.
Božena liet in Mrákov en Stráž haar verhaal Karla afspelen (gepubliceerd in Perly České 1856).

Over haar bezoek aan Újezd vertelt Božena in Obrazy z okolí domažlického:
"Op ongeveer een uur afstand van de stad, richting noordwest, is er een mooie groene heuvel, genaamd Hrádek (Spitzberg), met daaronder het dorp Oujezd. Het was op zondagmiddag toen ik naar dat dorp ging. De kinderen speelden buiten onder de lindebomen en de mannen, vrouwen, jongens en meisjes zaten in de boomgaard.
Daar was de honderd-en-drie jaar oude man die mij vroeg: "Heb je van onze Kozina gehoord?" en hij begon te vertellen over vroeger tijden: Jan Sladký Kozina uit Újezd was een voorvechter van de rechten van de Chodové. De landheer Maximilian Laminger von Albenreuth (bijgenaamd Lomikar) beschouwde hem als aanstichter van de boerenopstand in 1695 en liet hem in Pilsen veroordelen.
Het verhaal gaat dat tijdens een belegering van een stadje, men buiten de muren een hond zagen lopen die uit het stadje afkomstig was. Hoe was die buitengekomen? Men hield de hond in de gaten tot hij weer terug ging en kon vervolgens het gevonden gat beschermen en de vijand buiten houden. Sindsdien worden de Chodovaci Psohlavci (Hondskoppen) genoemd."
In juli en augustus van het jaar 1846 kuurt Božena in Františkovy Lázně, ze arriveert er op 17 Juli 1846. In haar eerste brief blijkt dat zij er zich heel goed voelde, ze schrijft: "Vanuit mijn kamer heb ik een prachtig uitzicht op de bergen en het doet me denken aan mijn geliefde thuis." Ze schreef haar vrienden brieven (Dopisy z Lázní Františkových) uit het kuuroord.
Ook is ze blij met de uitleenbibliotheek en de leeszaal. Het verblijf in het kuuroord is voor haar een goede gelegenheid om te schrijven. In september verschijnt een tweede serie van Obrazy z okolí domažlického waarin ze o.a. schrijft over een boerenbruiloft (Selská svatba v okolí domažlickém).
In de zomer van 1846 bezoekt ze Kdyně, ze schrijft over de misoogst en de armoede in V zámku a podzámčí (1856-1857). In de zomer van 1847 gaat Božena nogmaals kuren in Františkovy Lázně.


In de herfst van 1847 verhuist de familie naar Všeruby, een dorp met een oude Joodse geschiedenis. Zij gaan wonen in het huis van de apotheker Josef Myška, de enige Duitser in deze plaats. Naast hen woonde de schrijver/arts Jiří Leopold Weisel (1804-1873), Božena vertelde hem over het wel en wee van de Choden; Weisel schreef in 1848 onder de titel Vergessene Erzählungen een artikel over de opstand van de Choden onder aanvoering van Jan Sladký Kozina en diens proces in 1695.

In de omgeving bezocht ze Tanaberk, waar pater Václav Sládeček haar inspireerde voor Pohorská vesnice (1856).

Božena Němcová schrijft op 8 maart 1848 in Česká včela over agrarische politiek. Ook in Květy en in Národní Noviny verschenen artikelen over politieke gebeurtenissen in Chodsko. Op 15 juni 1848 gaat zij, tijdens de Pinksteropstand, gekleed in de klederdracht van Chodsko, naar Praag, om de aandacht te vestigen op de actuele situatie. Eind juni 1848 wordt Josef Němec overgeplaatst naar Nymburk. Nog tijdens de zomer verhuizen ze.


Wat is er te zien?

Domažlice

Op het plein Náměstí Míru werd in 1895 een gedenkplaat van de beeldhouwer Čeněk Vosmík (1860-1944) aangebracht.

Onder de titel "Po stopách Boženy Němcové" heeft het Chodské Muzeum een thematische route gemaakt langs de verschillende dorpen in de regio waar informatiepanelen zijn geplaatst over Božena Němcová.


Behalve informatiepanelen vindt men op sommige plaatsen nog plaquettes zoals bijv. op een huis in Chrastavice, en een sculptuur in Mrákov van Božena's bezoek aldaar.

Het toenmalige woonhuis van Božena in Všeruby werd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd. Onder de vier linden op het plein voor de kerk staat sinds 1947 een monument.


Františkovy Lázně

Op verschillende manieren wordt Božena Němcová herdacht: een van de straten draagt haar naam, evenals het theater.
Op de plaats in de Ulice Boženy Němcové waar het huis stond waar Božena in 1846 en 1847 verbleef staat nu een monumentje met een plaquette:
V domě, který stál na tomto místě bydlela jako vzácný host Božena Němcová v letech 1846-1847 (In het huis dat op deze plaats stond, woonde als onze speciale gast Božena Němcová in de jaren 1846-1847).
In de tuin bij de Solný en Luční bronnen staat een monument: Božena Němcová byla naším vzácným hostem - celeberrima hospes harum aquarum erat - v letech 1846 -1847 (Božena Němcová was onze speciale gast in de jaren 1846 en 1847).
Het verblijf in en om Domažlice liet niet alleen sporen na in het werk van Božena Němcová, ze inspireerde ook anderen zoals bijv. de hierboven genoemde buurman Jiří Leopold Weisel om te schrijven.
De schrijver Alois Jirásek (1851-1930) werd geboeid door de geschiedenis van de Choden en schreef een boek over de Choden: Psohlavci (1886). Het werd ook in het Duits vertaald: Die Hundsköpfe.

Jan Sladký Kozina, voorvechter van de rechten van de Chodové, betrok in 1670 zijn vaders boerderij (U Kozinů) in Újezd, Kozinův statek is nu een aan hem gewijd museum.

Jindřich Šimon Baar (1869-1925) wijdt enkele hoofdstukken uit Na Chodsku od jara do zimy aan Božena Němcová. In Klenčí pod Čerchovem is in zijn voormalige woonhuis, een museum aan hem gewijd.

> Sitemap [> Božena achterna]