Božena achterna - woonplaatsen: 1837–1838 Červený Kostelec

1837

Barunka's ouders vonden de vijftien jaar oudere belastingambtenaar Josef Němec die in Červený Kostelec werkte, wel een geschikte partij voor hun dochter. Josef Němec is een patriot, een volgeling van de nationalist en taalkundige Josef Jungmann (1773-1847) die zich inzette voor het gebruik van een geschreven Tsjechische taal. In de 19e eeuw was een brede nationalistische beweging ontstaan met het doel om de Tsjechische taal, cultuur en nationale identiteit te doen herleven. Tal van personen waren net als Jungmann actief in deze beweging. De belangrijkste man was de historicus en politicus František Palacký (1798-1876). Hij benadrukte in zijn werk de rijkdom van het Tsjechische erfgoed.

Op 12 september 1837 trouwden Barunka en Josef in de Maria Hemelvaartkerk (Nanebevzetí Panny Marie) van Česká Skalice. De bruiloft werd gevierd in Steidler's hostinec U českého lva, vlak naast de pastorie.

In die tijd was men begonnen met het telen van dahlia's, een wilde bloem uit Mexico die in 1789 was ingevoerd in de botanische tuinen in Madrid. De eerste Europese dahlia's werden vernoemd naar de Zweedse arts en botanicus Anders Dahl (1751-1789). In een deel van Duitsland is enige tijd de naam Georginen (Tsj. Jiřinky) gebruikt naar de botanicus Johann Gottlieb Georgi (1729-1802). De dahlia werd het symbool van de nationale wedergeboorte.

František Hurdálek (1790-1847), een voortijdig gepensioneerde priester, woonde in de oude pastorie (Stará Fara) tussen de kerk en Steidler's herberg.

Hij was de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de dahliateelt in deze regio en vroeg zijn buurman Josef Steidler of hij een dahliatuin kan maken bij de ruïnes van een oud fort achter de pastorie en spoorde hem aan zijn plan voor het bouwen van een danszaal te bespoedigen. Alles was binnen een jaar klaar en in september 1837 werd op de eerste dahliatentoonstelling een competitie voor de beste dahlia gehouden en bij deze gelegenheid werd een dahliabal georganiseerd. De eerste tentoonstelling en bal vonden plaats twee dagen na de bruiloft van Barbora Panklová en Josef Němec. De pasgehuwde Barbora werd tot koningin van de bal gekozen.

Jiřinkové slavnosti

De jaarlijkse dahliabals werden een patriottisch trefpunt van Tsjechische schrijvers, kunstenaars, landelijke en regionale persoonlijkheden. Ook de Slowaakse taalkundige en nationalist Ľudovít Štúr bezocht het dahliabal.

Ook de jonge Bedřich Smetana (1824-1884) bezocht een van deze bals. Zelf een enthousiast danser, schreef Smetana als eerste composities een drietal pianopolka's (polka's waren als dansmuziek toendertijd erg populair). Na zijn bezoek aan een dahliafeest schreef de 16-jarige in 1840 de Jiřinková Polka (Dahlia polka).

De dahlia-tentoonstellingen en bals vinden nog steeds plaats, gewoonlijk in de tweede week van september.


Wat is er te zien?

In Steidlers vroegere herberg en de aangebouwde danszaal, ulice Maloskalická 47, is sinds 1962 het Božena Němcová museum gevestigd.

De 6 tentoonstellingszalen volgen de lotgevallen van de schrijfster en haar familie en vrienden, en de chronologische ontwikkeling van haar werk met een grote hoeveelheid originele documenten: foto's, de eerste druk van boeken en persoonlijke voorwerpen; verder illustraties en beeldhouwwerken, kopieën van archiefdocumenten, smeekbrieven en portretten. Men vindt er ook de historische Dahliazaal, waar Němcová haar bruiloftsfeest vierde en deelnam aan het eerste dahliafeest.

Barunka danste in 1844 opnieuw op het dahliabal toen ze met haar kinderen Ratibořice bezocht. Een plaquette herinnert er nog aan.


In de tuin van het museum staat een beeld van Barunka dat gemaakt is door de beeldhouwster Marie Uchytilová-Kučová (1924-1989) die ook het kindermonument in Lidice maakte.
Naast het museum vindt men de oude pastorie en de kerk waar Božena en Josef getrouwd zijn. De kerk is nog steeds in gebruik.

In het centrum van Česká Skalice, op de Husovo náměstí, staat in een parkje het monument voor Božena dat op 15 Augustus 1888 werd onthuld en dat door burgers, stadsbestuur en bedrijfsleven bijeen was gebracht. Het vijf meter hoge monument bestaat uit een Corinthische zuil met daarop een wit marmeren borstbeeld van Božena Němcová.




Op het voetstuk zijn bronzen reliëfs met scènes uit Babička. De beeldhouwer was Mořic Černil (1859-1933).

Bij de feestelijke onthulling in 1888 waren ook Božena's dochter Dora (1841-1920) en zoon Karel (1839-1901) aanwezig. Ook nu nog vinden hier af en toe op Božena's verjaardag (4 februari) bijeenkomsten plaats.


1837-1838

Na hun bruiloft op 12 september 1837 in Česká Skalice huren de pasgetrouwden in Červený Kostelec, zo'n 15 km in noordelijke richting, in de buurt van het centrale plein tegenover de pastorie een gemeubileerde kamer op de zolder van het huis van de koopman Augustin Hůlek. Een mooie kamer, geen hoge huur, slechts zestig gulden per jaar. In het aangrenzende huis op nummer 139 had Josef Němec zijn kantoor.

Josef Němec was hier in 1836 benoemd, het was zijn plicht om te helpen smokkelaars te vervolgen. Het was echter een slechte tijd in deze regio; bij de grote brand in 1831 verloren veel mensen hun huis. Bovendien kwamen er machines die machinaal konden weven waardoor thuiswevers maar nauwelijks genoeg konden verdienen. Sommigen probeerden bij te verdienen met het smokkelen van katoen, zout, tabak en specerijen uit Silezië. Božena Němcová ontmoette in Červený Kostelec weer haar oude schoolmeester Augustin Purm, zijn schoonvader de leraar Alois Rudl en de geestelijken František Körner en Jiří Ehle. Zij wisten interesse te wekken voor de nationale taal en cultuur en waren van invloed op het onderwijs, amateurtheater en kerkmuziek.

Twintig jaar later (in 1857) beschrijft Božena Němcová voor het katholieke tijdschrift Posel z Prahy haar herinneringen over haar verblijf in Červený Kostelec in Chudí lidé (Arme mensen; in het Duits vertaald als: Aus einer kleinen Stadt) waarin ze mensen en gebeurtenissen portretteert.

In mei 1838 verhuizen ze naar de volgende standplaats van Josef Němec: Josefov.


Wat is er te zien?

In dit huis, nu ulice Boženy Němcové 127, woonden Božena en Josef van september 1837 tot april 1838.


Het huis is nu een museum waar naast historische exposities uit het begin van de 19e eeuw, een Božena Němcovákamer is ingericht met o.a. spinbenodigdheden, zoals het typerend was voor de stad in de eerste deel van de 19e eeuw.



In de tuin achter het museum kan men het (symbolische) graf vinden van Viktorka. Op het kruis staat de tekst: “Hier rust Victoria, geboren in 1792, dochter van Žid uit Červená Hora, gestorven op 17 oktober 1868”. Viktoria Židová werd halfdood gevonden in een kleine grot in een eikenbos bij Žernov en naar haar geboorteplaats Červená Hora gebracht. Ze werd begraven in een massagraf in Kostelec waartoe de parochie Červená Hora behoorde. Het bewogen leven van Viktorka was inspiratie voor een van de figuren uit Babička.


In het Smetanapark van Červený Kostelec bevindt zich een beeld van de beeldhouwer Ladislav Faltejsek (1912–1989) uit 1962.

Op de begraafplaats die grenst aan het Smetana Park kan men de grafsteen vinden van onderwijzer Augustin Purm (1800-1875).

> Sitemap [> Božena achterna]