Het boek: hoofdstuk VI

Viktorka was een meisje fris als een framboos, vlug als een hinde en vlijtig als een bij. De aanbidders losten elkaar bij de voordeur af, maar Viktorka wilde geen van hen.
Op een dag werden er in het dorp soldaten ingekwartierd en één van hen was overal waar Viktorka ook was. Hij zei echter niks en men meende dat hij niet goed snik was. Viktorka klaagde: "waarom zegt hij niks, ik word duizelig van die ogen". Ja, die ogen betekenen niets goeds, - een teken van de duivel - meende men.
Voor Viktorka werd het een lijdensweg, ze ging het huis niet meer uit, ze had nergens plezier meer in, ze ging ook niet meer naar de muziek op zondag uit angst om de zwarte soldaat tegen te komen.  
Uiteindelijk kan ze er niet meer tegen, de vrouw van de smid geeft haar een amulet dat ze altijd bij zich moet dragen. Dat blijkt niet te helpen. Viktorka verwacht overal de zwarte soldaat.
Op een dag komt Viktorka ziek naar huis, ze is op het klaverveld in een doorn getrapt, haar voet verbonden met een onbekende, gemerkte witte zakdoek. (Aan de vrouw van de smid vertelt ze van een ontmoeting met de zwarte soldaat). Ze wordt erg ziek en praat met niemand meer.
Als de soldaten vertrokken zijn gaat het langzaam weer beter met Viktorka tot haar zus vertelt met de zwarte soldaat gesproken te hebben, ze moest Viktorka zeggen dat hij zijn belofte om elkaar weer te zien, zal houden. De volgende ochtend is Viktorka verdwenen.
Pas een jaar later komt het bericht dat er een verwilderd en verwaarloosd vrouwspersoon in het bos gezien is; vinden kan men haar niet, maar klaargelegd voedsel en kleding wordt meegenomen. Ze zwerft door het bos, heeft altijd bloemen bij zich die ze weggeeft als ze kinderen ziet of bij het dorp komt. 's Avonds zit ze urenlang op dezelfde plek een klaaglijk wiegeliedje te zingen.

> Sitemap [> "Babička"]