Het boek: hoofdstuk I

Babička verlaat haar eigen huisje om op het landgoed te gaan wonen waar haar dochter Tereza met haar man Jan Prošek en kinderen Barunka, Jan, Vilém en zuigeling Adélka wonen. Omdat Tereza vaak in het grote huis gaat werken springt babička bij in de huishouding van haar dochter.
 
Ze brengt allerlei gewoonten mee: ze zegent het meel voordat er gist in gaat en zelfs de kleine Vilém moet 'God zegene ons brood' zeggen als hij de keuken binnenkomt. Broodkruimels moeten in het vuur gegooid worden en vallen ze al op de grond: er mag niet op getrapt worden, want anders huilen de arme zielen in het vagevuur. En het brood moet vooral in rechte plakken gesneden worden.
Babička krijgt haar eigen vertrek met al haar traditionele spulletjes; het mooist vonden de kinderen de beschilderde hutkoffer met spullen waarover verhalen verteld werden.

> Sitemap [> "Babička"]